Zonder vriend

Zo’n beetje anderhalf jaar geleden begon lopen problematisch te worden. Misschien eigenlijk wel wat eerder, maar dat leek dan telkens een los ding – peesontstekinkje hier, verrekt spiertje daar, verzwikte enkel, dat werk. Anderhalf jaar geleden, zo’n beetje, was het mijn heup die moeilijk deed en bleef doen.

Inmiddels doet-ie het weer gewoon. Niet helemaal zo gewoon als vijf of tien jaar geleden, wat vooral te wijten is aan de complicatie en de daarbij horende tweede operatie. Maar vergeleken met anderhalf jaar geleden heel gewoon. Nu begin ik uit mijn beperkende zelfcensuur op te krabbelen.

Dat wil zeggen: als ik bijna bij de kassa ben en bedenk dat ik de melk vergeten ben, dan denk ik niet, mwah, dan maak ik de puree wel met water. Ik loop terug.

Dat wil zeggen: ik neem op de fiets geen omweg meer om maar niet af te hoeven stappen bij een verkeerslicht of zo. Afstappen ging wel, maar aan afstappen is onlosmakelijk opstappen verbonden en dat was een meerjarenplan.

Dat wil zeggen: ik begin niet een kwartier voor vertrek met het aantrekken van schoenen. Ik raak niet meer in paniek omdat de een of andere druiloor een tramhalte honderd meter heeft gelegd (ik heb degene die het Leidseplein heeft gereorganiseerd verwenst toen ik ontdekte dat ik niet meer uit de tram de schouwburg in kon rollen).

Dat wil zeggen: als ik de deur uitga zwaai ik even naar mijn vriend – dag jongen, je hebt me heel erg geholpen toen mijn achterpootje niet meewerkte, maar nu mag jij lekker thuis uitrusten terwijl ik me door regen en wind worstel. Je hoeft niet met gevaar voor eigen leven (en het mijne) langs een fietswiel te hangen – fijn toch? Ik hoop dat hij een slecht geheugen heeft en zich niet realiseert dat-ie al een paar maanden niet mee mag en ik hem dus kennelijk niet erg mis. Onze vriendschap was groot, niet erg diep.

Tot donderdag. Toen miste ik ‘m opeens wel. Ik had wegens een vlaag van arbeidsethos – altijd op de meest onhandige momenten – bedacht gewoon naar mijn werk te gaan, code oranje of geen code oranje. De storm zou op z’n hoogtepunt zijn op het moment dat ik al netjes achter een bureau zat, ik zag geen probleem.

De heenweg was die er ook niet, al moest ik wegens een kapotte bovenleiding een eindje met de bus en moest de bus een eindje omrijden omdat een vrachtwagen op z’n zij een dutje deed op de weg die wij moesten gaan. Ruimte zat in de bus.

Toen ’s middags echter de problemen op het spoor zo groot waren dat de NS geen andere optie meer had dan gewoon alle treinen laten staan waar ze stonden moest ik de hele route van werk naar huis per bus afleggen. Het eerste traject was drukker dan de ochtend, maar nog altijd rustig genoeg om geen chaos op de halte of in de bus op te leveren.

Op Schiphol was dat anders. Heel anders. Daar stond zo’n beetje half Nederland te wachten op de bussen naar Amsterdam. Plus verdwaasde toeristen met rolkoffers. Heel, heel even had ik nog de illusie dat mijn bus, naar Bijlmer Arena, minder populair zou zijn dan die naar Leidseplein.

Helaas, een meneer met een geel hesje die kennelijk was ingehuurd om de chaos enigszins in goede banen te leiden, riep dat de Bijlmer-bus voor iedereen eigenlijk de allerbeste optie was. Ook in het Engels, zodat de toeristen het meteen ook wisten. En terwijl ik netjes bij de halte stond opgesteld stopte de bus gewoon ergens, zodat een horde forenzen en toeristen met rolkoffers de bus belaagd had voor ik ook maar in de buurt was. Pas bus drie wist ik mezelf op het allerlaatst naar binnen te wringen. De meneer met het gele hesje vond dat ik precies één passagier te veel was, maar dat heb ik officieel niet gehoord. Niet in het Nederlands en niet in het Engels.

Als laatste passagier hing ik een beetje tegen de deur aan en moest ik bij haltes zien niet geplet te raken tussen de naar binnen openklappende deur en een rolkoffer. Het was geen groot feest, maar ik kwam in Bijlmer Arena aan, en daar ging het om.

Daar herhaalde zich het Schipholgedoe. Toen de bus arriveerde stonden er meer mensen op de halte te wachten dan comfortabel een plek kon vinden, zodat er aan alle kanten geduwd en getrokken werd. Iedereen wilde zo langzamerhand wel eens naar huis en omdat de bus maar eens in het half uur ging was wachten op de volgende eigenlijk voor niemand een optie.

Ik ben niet goed in voordringen.

En toen ik opnieuw in een ongemakkelijke hangpositie was gemanoeuvreerd, schoot even door mijn hoofd dat de reis misschien makkelijker was verlopen als ik m’n vriend die ochtend wél had uitgenodigd voor een wandelingetje. Als wegens té grote bende het egocentrische in de mens overheersend was geweest, dan had ik tenminste mijn vriend op andermans tenen kunnen laten trappen. Had hij in elk geval een lolletje gehad.

Advertenties
Geplaatst in huis en tuin

Publieke rouw

Vanmorgen piepte mijn telefoon dat Eberhard van der Laan overleden was. Ach, denk je dan – dacht ik toen -, ach, da’s toch wel heel snel na het moment dat hij het eindelijk opgaf te werken. Wat naar nu. En ik had een vaag idee dat de media de rest van de dag gevuld zouden worden met necrologieën en persoonlijke herinneringen van hoogwaardigheidsbekleders. Dat hoort er een beetje bij, als een bekend persoon overlijdt.

Ergens heb ik gemist dat in de nieuwe rouwetiquette ook mensen die de overledene niet gekend hebben, of alleen in het voorbijgaan, hun verdriet in het openbaar horen te delen. Ik heb daar geen oordeel over, het verbaast me alleen. Waarom legt een buurtbewoner een bosje bloemen op de stoep van de ambtswoning? Dat hoorde toch bij ongelukken en aanslagen? Waarom überhaupt ga je naar die woning toe? Wat denk je daar te vinden? En waarom vertel je een verslaggever dat je je werk onderbroken hebt om dat bosje bloemen te komen brengen? Waarom moet iedereen dat weten?

Het zal mijn calvinistische inslag zijn, maar ik snap het domweg niet. Rouwen is iets van de naasten, niet van de hele wereld, en ik voel me bijna een voyeur bij de hoogstpersoonlijke ontboezemingen van mensen die ik zelfs niet van naam ken. Nee, ik ben niet zo’n ongevoelige hork dat ik er niet ook geroerd door kan raken, zo erg is het ook weer niet, al is de verbazing nooit ver weg.

Ik vroeg me vanmiddag even af of in die publieke rouw niet ook iets claimerigs schuilgaat. Alsof je niet kunt accepteren dat het echte verdriet van de familie is, van vrienden, van naaste collega’s. Alsof jij duidelijk wilt maken dat je daar ook deel aan hebt, ook al staat jouw leven natuurlijk helemaal niet op z’n kop. Of is de scheidslijn tussen openbaar en privé zo aan het schuiven dat mensen het gevoel krijgen dat alles wat in de wereld gebeurt ook van hen is?

Toen mijn vader overleed was dat – gelukkig – geen zaak van landelijk belang, maar wel stonden er stukkies in de kranten. Ik herinner me hoe de eerste dag dat ik op mijn werk terug was, een collega me vertelde hoe hij zo’n krant met zo’n stukkie een hele avond had bestudeerd. Opgepakt, weggelegd, weer opgepakt. Hoe hij het stukkie tien, twintig keer gelezen had, tot zijn vrouw hem vroeg wat hij nou eigenlijk zocht. Ernestine, had hij geantwoord, ik zoek Ernestine en haar broers – die kwamen in die stukkies niet voor.

Een vage echo van die herinnering speelt nu door mijn hoofd. De aandacht in de media voor het overlijden van Van der Laan is begrijpelijk, het openbare rouwbeklag van collega’s waarschijnlijk onvermijdelijk.

Alleen die anonieme, onbekende rouwenden, vroeg ik me af, die burgers die met de beste bedoelingen en uit een goed hart de wereld laten weten hoe zij geraakt zijn door dit overlijden, laat alstjeblieft hun herinneringen aan de burgemeester niet schuiven voor de herinneringen van de kinderen aan een vader die ze voorlas of met ze voetbalde.

Geplaatst in maatschappij

Schuivende dimensies

Eerder schreef ik al eens, geloof ik, hoe tijd in een ziekenhuis verdwijnt – of liever, indikt en uitdijt op een manier die aan de andere kant van de drempel ondenkbaar is.

Momenteel maak ik op geheel nieuwe wijze kennis met dit wonderbaarlijke verschijnsel. Waar ik de vorige keer niet per se voor m’n plezier maar toch gepland de andere tijd binnenstapte, ben ik er nu onverhoeds en zeer ongewenst met een ferme zwaai ingekieperd.

Achteraf gezien was het wat naïef te denken wat ik dacht: ontsteking=antibioticakuur=we-missen-de-boot-naar-Schiermonnikoog-maar-er-gaat-er-morgen-weer-een. Maar ja, da’s achteraf. Het werd: ontsteking=blijven. En plof, daar zat ik in een tijdbubbel waar zeker de eerste tijd ook geen enkele lineariteit in te vinden was. Alles moest nu, of toch weer niet, en tussen het ene alles en het andere zat ziekenhuistijd. Waar, en dat was heel anders dan de vorige keer, ook niemand een vage indicatie van kon geven hoelang die duren zou. Zo werd ‘gaat vanavond nog’ toch ‘morgen eind van de middag’ en die morgen om een uur of tien opeens ‘nu’.

Licht tot mijn eigen verrassing lukte het me op dag één al om me niet druk te maken over wat wanneer zou gebeuren, ik zat in de ziekenhuistijd voor ik het wist. Ik sluit niet uit dat ik toch zieker was dan ik mezelf wilde toegeven. Wat een tikkeltje ingewikkeld bleek, was om mijn verstoorde tijd met de buitenwereld te communiceren. Voor mij was het helemaal niet vreemd om na ‘dit heeft haast’ rustig drie uur niets meer te app-en, en het duurde een tijdje tot ik begreep dat dat aan de andere kant van de telefoon een stuk minder vanzelfsprekend was.

Inmiddels lijkt wat er aan ingreep nodig was wel achter de rug te zijn. Naast de dimensie tijd is nu ook de dimensie ruimte in een ziekenhuisvariant veranderd. Ik ben in een bed geparkeerd, vastgebonden aan een infuuspaal en elke door een arts voorgeschreven noodzakelijke beweging door het ziekenhuis gaat per datzelfde bed, alsof ik stilsta en het ziekenhuis beweegt. Mijn wereld is beperkt tot ziekenhuistijd en twee vierkante meter. Het is een wonderlijke ervaring.

Geplaatst in huis en tuin

De weg kwijt

Mijn woonplaats wordt doorsneden door een snelweg. Dat klinkt dramatischer dan het is, er zijn plaatsen waar je van de bakker naar de groenteboer een snelweg over moet zien te steken, bij mij gaat het om een afgesneden maar zelfstandig stadsdeel. Momenteel wordt – uiteraard voor het goede doel – aan die snelweg geknutseld met als direct gevolg dat een deel van de fietspaden onder de weg door is afgesloten.

Ik kan het toch al afgesneden stadsdeel meestal aardig mijden, wat ook mijn voorkeur heeft omdat ik er steevast de weg kwijtraak. Ik heb er wel een paar favoriete bestemmingen, waar mijn fiets tot voor kort gewoon zelf de weg naartoe wist. Dat moet ook wel, mijn oriëntatiekwab is de afgelopen jaren niet ontwikkeld, wat ik vooral wijt aan Echtgenoot, die je geblinddoekt willekeurig waar kunt droppen en dan toch de route naar de gewenste locatie kan vinden.

Gelukkig zijn de gemeente en Rijkswaterstaat niet zo wreed dat ze de afgesloten fietspaden voorzien van een bordje 'Doorgang gesloten, zoek het lekker zelf maar uit'. Er is een keur aan omleidingsroutes. Vaak gaan die er vanuit dat je weet waar je naartoe gaat. En dan bedoel ik niet in brede zin: naar huis, of zo, maar specifiek, met liefst ook de namen van de paden die je normaal gesproken passeert. Bij een toeristisch ritje per auto door Nederland komen we die borden ook tegen: Willem de Zwijgerlaan afgesloten, Distelweg bereikbaar. Dat is leuk als je de situatie ter plekke kent, niet als je een dorp binnenrijdt met het voornaamste doel er aan de andere kant weer uit te rijden; dan weet ik echt niet of ik over de Willem de Zwijgerlaan of de Distelweg had willen rijden.

Zo verwijzen de bordjes die mijn fietsomwegroute wijzen naar wijken in dat stadsdeel waar ik zelden kom en al helemaal niet van weet hoe de Wierden zich verhouden tot de Grienden en de Marken. Mijn bestemmingen liggen vooral niet in een woonwijk. De route naar de eerste bestemming heb ik inmiddels doorgrond, na een paar keer blinde paniek omdat op het moment dat het bordje aangaf dat de omleiding tot zijn einde was gekomen ik niet het flauwste idee had waar ik precies was. Dat de route telkens een beetje wijzigde en er elke keer andere bergen zand naast het pad werden opgeworpen hielp ook niet, maar ik geloof dat ik het nu wel weet.

Vanmorgen ging ik naar bestemming twee. Ik had na bestudering van talloze kaartjes van Rijkswaterstaat de indruk opgedaan dat ik daar net als voor het grote knutselen onder de snelweg door zou moeten kunnen. Even was er een schrikmoment, omdat er rare hekken stonden en het pad met betonplaten een tikkeltje was omgelegd, maar dat leek snel goed te komen. Toen was het een kwestie van trappen en nam mijn fiets volautomatisch de juiste bochten terwijl ik de geur van bos-na-regen opsnoof, keek naar het spel van zon en bladeren en luisterde naar kwetterende vogels.

Tot op mijn pad opeens een rood-wit hek bleek te staan, voorzien van een rond wit bordje met rode rand, in een combinatie die niets anders kon betekenen dan 'doorgang versperd'. Omdat mijn bestemming zich ongeveer achter dat hek bevond (nou ja, tunneltje door en ik zou er zijn) heb ik even gekeken of 'doorgang versperd' betekende dat het op prijs werd gesteld als je een andere weg zocht, of dat het echt fysiek onmogelijk was om door te rijden. Ik ben niet te beroerd om een hek te omzeilen, zeker niet op dagen dat er geen werkverkeer is. Helaas, het leek echt geen goed idee om verder te gaan.

Op dat moment realiseerde ik me twee dingen. Ten eerste dat ik eigenlijk best had kunnen weten dat deze onderdoorgang stuk zou zijn, omdat ook hier aan de weg werd geknutseld. Als we er met de auto rijden probeer ik te bedenken hoe het er aan het eind van het jaar uit zal zien – in elk geval anders dan met zandzakken in de berm, ook ter hoogte van mijn tunneltje. Het was op z'n zachtst gezegd naïef om te denken dat die zandzakken erg behulpzaam zijn voor een vlotte doorgang. Ten tweede dat ik bij de laatste volautomatische bocht in mijn ooghoek iets geels had gezien. Bij nader beschouwing was dat inderdaad een omleidingsbord. Vooruit dan maar.

Het was een avontuurlijke route, langs een kudde mensen-met-grote-honden die geleerd werd te luisteren (ik was wat argwanend), over een weg waar het bord 'verboden voor fietsen' was afgeplakt (ik hoopte dat automobilisten die de weg dagelijks namen zich dat ook realiseerden) en een parkeerterrein, waar ik als fietser per definitie ernstig op mijn hoede ben.

Maar: bestemming bereikt, dat wel. En ik ben ook weer thuisgekomen, zij het weer na een paar 'waar ben ik eigenlijk?'-momentjes.

Alleen denk ik wel: lieve gemeente, lieve Rijkswaterstaat, het wordt vast prachtig, ooit, maar mag het alstjeblieft heel snel weer normaal worden?

Geplaatst in huis en tuin

Maria

In het kader van grenzen opzoeken en verleggen bevond ik me vanmiddag in Utrecht, meer in het bijzonder in het Catharijneconvent, bij een tentoonstelling over Maria. Nee, dat was niet omdat in het niet-mobiele tijdperk ik elke ochtend wakker werd met een brandend verlangen juist deze tentoonstelling te bekijken, eerder de uitkomst van een ingewikkelde formule met als variabelen onder meer ‘aantal keren overstappen’, ‘afstand tot de bushalte’, ‘vermoedelijke maat tentoonstelling (niet te groot)’ en ‘aanwezigheid horecavoorziening’.

Maria, dus.

Ik ben nogal onduidelijk religieus opgevoed. Mijn ouders hebben bij hun huwelijk elkaar beloofd niet te proberen de ander te overtuigen van het bestaan dan wel niet-bestaan van een god, en aan die belofte hebben ze zich gehouden. Dat had het verwarrende effect dat we wel moesten bidden voor het eten, maar dat mijn Vader daar niet aan meedeed en zo direct na ‘amen’ zijn lepel in de soep liet plonzen dat het niet anders kon dat dat die lepel daar bij ‘Here zegen’ al gehangen had. En dat bij het enige gezamenlijke bijbellezen, met kerstmis, dezelfde Vader één oog gericht had op de kerstboom met echte kaarsjes, en de andere op de jeneverfles die pas gebruikt kon worden nadat de herders in de stal op bezoek waren.

Nee, erg helder was het allemaal niet. Maar één zekerheid hadden we: katholieken (‘papen’, zei mijn Moeder met de grootst denkbare afschuw), die deugden niet. In ons huis werd precies een heilige gedoogd, de heer Nicolaas. En – zij het in een anekdotische vorm – een heel enkele keer de heer Antonius. Het gerucht gaat dat iemand die in lijn dicht bij de oer-dominee in mijn voorgeslacht zat, haar hand er niet voor omdraaide om als het zo uitkwam ‘Heilige Antonius, goede vrind, zorg dat ik mijn (vrij in te vullen zoekgeraakt object) vind’ te prevelen. Met katholicisme had dat weinig te maken, het was eerder het niveau bijgeloof van een boek onder je hoofdkussen leggen in de hoop dat gedurende de nacht de kennis volautomatisch je hersenpan in zou stromen.

Katholieken deugden niet. Het aanroepen van een heilige om te bemiddelen tussen jou en god, dat was onbijbels en daar deden wij niet aan. We moesten zelf maar zorgen met die god in het reine te komen of te blijven, en na je dood werd je ter verantwoording geroepen. Een beetje tussentijds vergiffenis krijgen, dat zat er niet in. Ik had geleerd heiligen te zien als onderwerp voor schilder- en beeldhouwkunst, meer niet. Maria had nog wel een rol als moeder van Jezus, maar verder niet.

Het strekt mijn Moeder tot eer, vind ik, dat ze haar anti-Roomse sentiment aan de kant zette toen ik met op dat moment toekomstige Echtgenoot thuiskwam. Niet dat hij een praktiserend katholiek was, ook toen al lang niet meer, maar het hele onderwerp speelde opeens niet meer.

Dat Echtgenoot uit een katholiek nest kwam, en hoezeer dat anders was dan het vage hervormde waar ik vandaan kwam, ontdekte ik toen we met vakantie in Frankrijk voor Echtgenoots Oma een ansichtkaart kochten met een afbeelding van een glas-in-lood-raam waar Maria op afgebeeld stond. Voor Echtgenoot en mij was het dat: een plaatje van een glas-in-lood-raam. Toen we het – netjes ingelijst – aan Oma gaven, bleek dat het voor haar een volstrekt andere betekenis had, een betekenis die ik onmogelijk na kan voelen en dus ook moeilijk beschrijven kan. Voor haar wás dit Maria, geen ansichtkaart.

Niet uitgesloten is dat ze het ook als een teken zag dat deze kleinzoon niet geheel van god los was geraakt, trouwens. In elk geval kreeg het een prominente plaats in haar bejaardenkamer en na haar overlijden nam een geloviger Tante het mee, het eenvoudige ansichtkaartje dat van een lading was voorzien waar ik niet bij kon.

Het eerste deel van de tentoonstelling had ik aan mijn Moeders ogen genoeg. Maria in de geschiedenis van oermoeders gezet, haar leven afgebeeld, verschil in interpretatie tussen de orthodoxe kerken in het Oosten en de ‘gewone’ in het Westen, dat kon ik allemaal keurig afstandelijk kunst- en cultuurhistorisch bekijken. Aan het eind ging het opeens over devotie en processies, en daar maakten mijn hersens overuren in het schakelen tussen ‘roomse poppenkast’ en de oprechte overtuiging van Oma dat een Mariabeeldje je helpt om met de ongrijpbare god-in-de-hemel te communiceren.

Om het werkelijk te begrijpen, hoe ‘echt’ de beeldjes en plaatjes en votieven zijn, daarvoor ben ik zowel te seculier als te hervormd, vermoed ik. Ik voelde de merkwaardige sensatie die ik ook had toen we in Fatima een processie zagen: tegelijkertijd verbaasd en ontroerd over de voelbare kracht die mensen hieruit kunnen putten.

 

Geplaatst in huis en tuin, Tentoonstelling

Zonder zijwieltjes

Acht weken geleden was ik blij als ik mét hulp van een kruk een meter of vijf kon overbruggen. Het proces naar dat gestrompeld was eigenlijk heel snel gegaan – half maart liep ik weliswaar zeer moeizaam, maar toch krukloos.

Half juni kreeg ik een nieuwe heup. De eerste weken na de operatie bewoog ik me met twee krukken voort, toen mocht er eentje thuisblijven. Sinds een week of drie loop ik in en rond huis gewoon op mijn twee eigen benen.

Read more ›

Geplaatst in huis en tuin

Gemeentewerkzaamheden

Naast ‘Alles komt altijd goed’ spreek ik nu regelmatig als mantra uit ‘het gaat er niet om wat je kunt, het gaat erom wat je mag’.

Terwijl mijn hoofd na de operatie van vorige week denkt dat ik best weer een wandeling van een kilometer of wat kan maken – vooruit, met twee krukken -, zei de fysiotherapeut zuinigjes dat twee keer vijf minuten op een dag in het begin wel genoeg was.

Read more ›

Geplaatst in huis en tuin

Voer je e-mailadres in om deze blog te volgen en om per e-mail meldingen over nieuwe berichten te ontvangen.

Alle berichten
%d bloggers liken dit: